Het federale operahuis in de hoofdstad van Europa

DE MUNT LA MONNAIE

Geen rozen zonder doornen

Der Rosenkavalier in 8 uitdagingen

Jasper Croonen & Pieter Baert
Leestijd
7 min.

Hoe lieflijk, dromerig en elegant Richard Strauss’ populairste opera ook mag zijn, als operahuis kan je je er stevig aan prikken. Onze collega’s doen de grootste uitdagingen voor deze productie uit de doeken… en hoe ze die trachten te overwinnen.

1. De perfect blend van drie vrouwenstemmen

Een opera die voor het grootste deel gedragen wordt door drie vrouwenstemmen, het komt niet al te vaak voor. In Der Rosenkavalier heb je de volle spinto-sopraan van Die Feldmarschallin, de travestierol Octavian voor mezzo, en de heldere, lyrische sopraan Sophie. Als artistiek directeur is het vooral de uitdaging om niet alleen de afzonderlijke rollen goed te casten, maar ook om hun gezamenlijke harmonie niet uit het oog te verliezen. ‘Daarom heb ik ze van in het begin als trio gecast,’ zegt Peter de Caluwe, ‘en worden de zangeressen in onze dubbele bezetting nooit onderling ingewisseld – op één datum na, om praktische redenen. Bij het casten neem ik bovendien steeds Mozartrollen als vertrekpunt, omdat er stilistisch en thematisch overduidelijk parallellen te trekken zijn. Neem nu het personage Octavian, daarvoor ga ik op zoek naar een zangeres die zou passen als Cherubino. Alles begint bij Wolfgang.’

2. De Italiaanse tenor

Zo sterk was Strauss’ liefde voor de sopraanstem, zo weinig had hij op met tenoren. Had hij het niet begrepen op het flamboyante machismo of de capsones van de ‘divo’s’ van zijn tijd? Zijn aria’s voor de hoge mannenstem zijn alleszins notoir moeilijk gezet. Ook in Der Rosenkavalier. Daar komt tijdens de Grand lever van de Marschallin in het eerste bedrijf een tenor een korte, Italiaanse aria brengen: “Di rigori armato il seno”. Een pareltje van nauwelijks twee minuten, maar je hebt er als tenor zowat alles voor nodig: een mooie lyrische lijn, een prachtige toon, een hoog bereik en vooral een aanzienlijke dosis lef om de topnoten zonder veel voorbereiding met de grootste overtuiging en zelfverzekerdheid aan te vallen. Een musicoloog beschreef het ooit als het vocale equivalent van een 100 meter sprint trekken terwijl iedereen om je heen een marathon aan het joggen is. Het is dan ook een rol die af en toe, bij wijze van verrassende cameo, wordt ingevuld door grote sterren als Luciano Pavarotti of Jonas Kaufmann.

De Italiaanse tenor stelt het castingdepartement voor een aparte uitdaging: enerzijds een zanger vinden die de rol aankan, maar die zich anderzijds ook tevreden stelt met een fractie stage time. Die zoektocht valt in de praktijk makkelijk mee, klinkt het bij onze intendant: ‘Het is zeker een uitdaging, maar er zijn vandaag meer dan voldoende tenoren die deze passage aankunnen. In zeker opzicht is het ook makkelijk voor een zanger: hij moet nauwelijks repeteren, maar wordt wel gelijkwaardig betaald voor die minieme passage. Als je je vrij kan maken, is het eigenlijk een no-brainer.’ En zo zijn het uiteindelijk toch weer de tenoren die het laatst lachen.

3. Iedereen solist!

De Italiaanse zanger is lang niet de enige die de Grand lever van de Marschallin bevolkt. Het libretto vermeldt verder – zet u schrap – een notaris, een kok, een koksmaatje, een modeverkoper, een geleerde, een dierenhandelaar met twintig honden en een aapje, een kapper, twee Italiaanse intriganten (Valzacchi en Annina), een fluitist en drie verarmde adellijke dochters met hun moeder. Voeg daar nog de politiecommissaris, de waard en de koetsiers, lakeien en kelners uit de overige bedrijven aan toe, en je weet dat je ook aan de casting van de kleine rollen in Der Rosenkavalier een dikke kluif hebt. Een aantal daarvan zijn stomme rollen die door figuranten worden ingevuld, maar voor het gros rekenen we op het jonge talent van onze MM Academy en vooral de solisten van het operakoor.

Koormanager ad interim Candice Bibauw: ‘Die casting is meer dan twee jaar geleden gebeurd en we organiseerden ze in nauw overleg met de koorleider (die het voorbereidend werk doet en onze stemmen het beste kent) en de koormanager (verantwoordelijk voor de planning). Met ons voorstel gaan we dan naar Peter de Caluwe, die eventueel zelf nog wat tegenvoorstellen doet.’ Dat is in se dus niet de grote complexiteit. Wat het moeilijker maakt is de drukke planning van de koorsolisten. ‘Veel koorleden zingen op dit moment nog mee in Pikovaya Dama, maar moeten ondertussen ook hun partijen voor Der Rosenkavalier inoefenen; die repetities beginnen nu namelijk ook al. Zij zijn vaak van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat in de Munt, en met twee partituren kriskras door elkaar in hun hoofd. Het is een hele puzzel om dat allemaal tot een goed einde te brengen.’

4. Baron Ochs: laag vallen, nog lager zingen

What’s in a name? Baron Ochs (letterlijk: baron Os) auf Lerchenau, de neef van de Marschallin, is niet de meest verfijnde onder de aristocraten. De grofheid, de zelfingenomenheid en de wellust van deze filister en rokkenjager, die nog voor zijn eigenlijke huwelijksaanzoek aan Sophie (ingegeven door financiële overwegingen) al een rendez-vous met “Mariandel” probeert te versieren, staat recht tegenover de pure liefde die doorheen de opera ontstaat tussen dit rijke burgermeisje en Octavian. In de goede traditie van de commedia dell’arte trekt Ochs dan ook na heel wat intriges aan het kortste eind. Maar wat een heerlijk personage om als bas te vertolken en te zingen! Je moet er wel enkele notoir lage noten bijnemen – enkele van de laagste uit het hele operarepertoire!: de lage mi’s en re uit de finale van het tweede bedrijf, ‘Da lieg ich’, en in ‘Mein lieber Hippolyte’ zelfs een lage do.

5. Hofmanns-taal

Hoe subliem Strauss’ muziek ook mag zijn, het succes van Der Rosenkavalier komt voor een even groot deel toe aan zijn librettist, Hugo von Hofmannsthal. Diens tekst is van een literaire waarde die je maar zelden aantreft onder operalibretti. “Erachter zat het geheime verlangen om een half denkbeeldig, half realistisch geheel te scheppen, dit Wenen van 1740, een hele stad met zijn klassen die zich enerzijds tegen elkaar afzetten en zich anderzijds met elkaar vermengen, met zijn ceremonies, zijn sociale gradatie, zijn manier van spreken, of beter, zijn verschillende manieren van spreken”. Hofmannsthal maakt deze ambitie waar. Der Rosenkavalier bijwonen is getransporteerd worden naar een verzonken totaaluniversum, waarin de psychologie en de sociologie van de personages talig tot in de kleinste details zijn uitgewerkt. De adellijke personages spreken een geraffineerd en hoffelijk Duits, maar laten zich op momenten van grote emotie betrappen op spontaner taalgebruik. De uitzondering is de provinciale Baron Ochs (en Octavian, wanneer hij Mariandel speelt). Zij spreken een Oostenrijks dialect waarvan de idiomatische finesses vaak verloren gaan in vertalingen, terwijl de Italiaanse intriganten Anina en Valzacchi wel Standaardduits proberen te gebruiken, maar dat met een stevig accent doen. Omgekeerd probeert Ochs al eens uit te pakken met Italiaanse spreekwoorden, waarbij hij de bal vaker wel dan niet misslaat.

© Martynas Aleksa

Het stelt niet alleen de zangers op het podium voor een uitdaging, maar ook onze dramaturgen, die in de libretto- en boventitelvertalingen zoveel mogelijk de rijkdom van Hofmannsthals tekst willen meegeven. Dramaturg Reinder Pols: "We proberen inderdaad de rijkdom van een literaire taal zo accuraat mogelijk weer te geven in onze librettovertalingen, maar het is een illusie dat je alle nuances via de geschreven taal kan vatten. Voor de boventiteling is dat nog uitgesprokener: hier primeert het feit dat je het publiek een houvast geeft om de verhaallijn te volgen zonder al te zeer afgeleid te zijn van de scène. Voor Der Rosenkavalier geldt misschien meer dan voor welke andere opera dan ook dat het zwaartepunt en alle nuancen slechts in de scenische interpretatie naar voor kunnen komen, en dat de vertaling en boventiteling slechts een hulpmiddel zijn..."

6. Quinquin, Rofrano, Octavian, Mariandel?

Een ander gevolg van Hofmannsthals oog voor detail is dat zijn personages, al naargelang de context en hun sociale verhouding tot de andere figuren, niet alleen anders spreken, maar ook anders aangesproken worden. Als onvoorbereide operaleek blijf je dan best even bij de les. Zo wordt de Feldmarschallin Fürstin Werdenberg soms bij haar voornaam ‘Marie Theres’ genoemd, mijmert ze over haar jeugd als ‘die kleine Resi’ en wordt ze geliefkoosd als ‘Bichette’. Nog sprekender is het voorbeeld van de Rosenkavalier zelf: wanneer het doek opent, vinden we hem in de armen van de Marschallin als ‘Quinquin’, zijn troetelnaam, maar nog in diezelfde scène noemt ze hem bij zijn voornaam: ‘Octavian’. Het is de eerste van zes voornamen trouwens – Octavian Maria Ehrenreich Bonaventura Fernand Hyacinth – voor één en dezelfde achternaam: Rofrano. En het is als ‘Graaf Rofrano’ dat hij aangekondigd wordt wanneer hij als ‘Rosenkavalier’ de zilveren roos komt overhandigen. Om het helemaal eenvoudig te maken, vermomt hij zich in het eerste bedrijf ijllings in een kamermeisje om ongemerkt de kamer van de Marschallin uit te kunnen raken. Als zangeres speel je deze ‘Mariandel’ bijgevolgd als een dubbele travestierol: een vrouw zingt de rol van een man die zich voordoet als een vrouw. Bent u nog mee?

7. Iedereen solist (II)

Strauss staat bekend als een componist die als weinig andere kan schilderen met orkestkleuren. Zijn symfonische gedichten vragen vaak enorme bezettingen en ook voor het concert op 9 oktober, met onder meer de “Tanz der sieben Schleier” en de slotmonoloog uit Salome zal het podium knap vol staan. Daarvoor moeten maar liefst 45 freelance-muzikanten aangetrokken worden. Stelt dat bij Der Rosenkavalier geen problemen in de orkestbak, waar de plaats uiterst beperkt is? ‘Voor deze opera valt dat al bij al goed mee,’ zegt onze orkestinspiciënt Dominic Jacobs. ‘Strauss’ bezetting is niet bepaald groter dan bijvoorbeeld een opera van Verdi.’ De uitzondering daarop is de zogenaamde banda, een extra muziekensemble dat op scène de muziek speelt die als het ware ook door de personages in de opera gehoord wordt. ‘Die banda is hier wel uit de kluiten gewassen, dus daar stonden we voor een serieuze uitdaging.’ Strauss vraagt bovenop het symfonieorkest – zet u nogmaals schrap – twee fluiten, een hobo, drie klarinetten, twee fagotten, twee hoorns, een trompet, een slagwerker, een harmonium, een piano, een strijkkwartet met daarbij nog een contrabas. ‘Die krijgen we uiteraard niet allemaal in de fosse. Daarom is beslist om die banda met onze eigen muzikanten op voorhand op te nemen. Zo vermijden we plaatsgebrek, en kunnen onze eigen musici tijdens de opera in het orkest aan de bak.’

8. Geen Weense Sachertorte

Een laatste uitdaging is weggelegd voor de regisseur. Hoe zorg je ervoor dat deze opera niet té zoet wordt geserveerd? Hoe vermijd je de valkuil van teveel Weens folklorisme, van kitch? ‘Der Rosenkavalier is een wereld die me fascineert en me veel vrijheid geeft,’ zegt regisseur Damiano Michieletto daarover. ‘Vrijheid van verbeelding, vrijheid om visies te creëren. Ik wil dat deze productie leuk en levendig is – het is tenslotte een komedie met grappige, bijna cartooneske personages. (…) Maar om een komedie te creëren, moet je het drama begrijpen dat die personages meemaken. Toeschouwers worden altijd het meest geëntertaind door de humor die voortkomt uit het innerlijke drama van de figuren. Ik zal niet proberen de nadruk te leggen op de expressionistische kant die de muziek dicteert, maar ik zal de personages zeer menselijk behandelen, zelfs wanneer ik surrealistische situaties creëer.’

Deel deze pagina