De Munt / La Monnaie DE MUNT / LA MONNAIE

Hommage aan José van Dam

40 jaar in de Munt

Thomas Van Deursen
Leestijd
10 min.

Sinds het nieuws van het overlijden van José van Dam stromen er vanuit de hele wereld eerbetuigingen binnen om de muzikale nalatenschap van de Belgische bas-bariton te huldigen. Aan de hand van getuigenissen van Sylvain Cambreling, Bernard Foccroulle en Peter de Caluwe blikken we terug op enkele van de meest onvergetelijke momenten uit zijn carrière in de Munt.

Van Leporello naar Figaro

Leporello (« Don Giovanni », Mozart) en 1971
Leporello (« Don Giovanni », Mozart) en 1971

Op het moment dat José van Dam zijn debuut maakte in de Munt, had hij al een carrière van meer dan tien jaar achter de rug. Hij zette zijn eerste stappen op het podium bij de Opéra Royal de Wallonie in 1960, waar hij Don Basilio vertolkte in Rossini's Il barbiere di Siviglia, en was ensemblelid van de Deutsche Oper Berlin onder Lorin Maazel. Met zijn onnavolgbare timbre verblufte hij al snel de Opéra de Paris, het Royal Opera House in Londen en La Scala in Milaan, vooral dankzij zijn vertolkingen van Escamillo in Bizets Carmen. In 1971 maakte hij ook in zijn geboortestad Brussel naam, als Leporello in Mozarts Don Giovanni, een van zijn meest geprezen rollen. Vijf jaar later vertolkte hij de hoofdrol in diezelfde productie geregisseerd door Jean-Marc Landier.

In de jaren 1980 werd de Munt van Dams tweede thuis. Tijdens zijn periode als Algemeen en artistiek directeur werkte Gerard Mortier er samen met de jonge dirigent Sylvain Cambreling, die hij tot Muziekdirecteur benoemde, om het publiek een gedurfd programma met vernieuwende regisseurs aan te bieden. “In die tijd had José een zeer internationale carrière”, herinnert Sylvain Cambreling zich. “Hij was net veertig geworden. In de eerste gesprekken die we met hem hadden, maakte hij Gerard Mortier duidelijk dat hij graag vaak in de Munt wou zingen. Hij voelde er zich thuis. We vroegen hem openlijk welke rollen hem de komende tien jaar zouden kunnen interesseren. Dat was het begin van een zeer vruchtbare samenwerking. Bij het plannen van onze seizoenen dachten Gerard en ik altijd in termen van dramaturgie: welke stuk? Waarom dit stuk, en waarom nu? Wie zal het regisseren? Wie zingt welk personage? Die nadruk op regisseurs was nieuw. Maar José ging er helemaal in mee. Ik denk dat hij zo op een andere manier kon ontdekken wat hij instinctief voelde telkens als hij een rol op zich nam. In 1981 opende Mortier zijn eerste seizoen met Don Carlo (Verdi) en had daarvoor het geniale idee om de twee grote Belgische stemmen van die tijd samen te brengen op het podium: José van Dam als Filippo II en Jules Bastin als Grande Inquisitore. Het was prachtig.”

Gedurende het volgende decennium zette van Dam talrijke roldebuten neer, zoals Simon Boccanegra in Verdi's gelijknamige opera in 1982. Een paar jaar eerder had Claudio Abbado een opname van het werk gedirigeerd met José van Dam als Paolo Albiani, die uitgroeide tot een echte klassieker. Naar eigen zeggen had de bas-bariton niet altijd de stem voor zijn rollen, maar toch “was hij zo vaardig en was de kleur van zijn stem zo mooi in het hele register dat je zelfs met zijn beperkingen, in de hoge noten van Boccanegra bijvoorbeeld, niet anders kon dan gecharmeerd zijn”, vertelt Sylvain Cambreling. “Deze opera en deze rol waren nieuw voor hem, net als voor mij. Op een bepaalde manier schepte dat een band. Ik heb heel goede herinneringen aan die productie van Pierre Constant. Het was echt een openbaring. Er is iets heel speciaals aan dat stuk van Verdi: het gevoel van de zee is alomtegenwoordig, net als een zekere duisternis, zelfs op de helderste pagina's. En José kon zijn stem met groot gemak aanpassen, meer of minder zonneschijn geven, meer of minder schaduw, met een perfect legato.”

In Brussel zong hij ook drie grote Wagner-rollen, die hem internationale bekendheid opleverden: de Holländer in Der fliegende Holländer in 1984, die hij opnam met Herbert von Karajan. Hans Sachs in Die Meistersinger von Nürnberg in 1985, die hij omschreef als “Wagners mooiste personage in zijn beste opera” en die vereeuwigd werd in een opname met Georg Solti. Daarnaast zong hij ook Amfortas in Parsifal in 1989. “Het is een van de mooiste vertolkingen van dat personage die ik ooit heb mogen dirigeren”, benadrukt Sylvain Cambreling. “Zijn stem kon een enorm scala aan gevoelens uitdrukken met veel diepte en ambiguïteit en een bijna naïeve, pure gevoeligheid. Er was nooit een façade bij José. In Parsifal slaagde hij erin om de immense pijn en twijfels van de koning bijzonder aangrijpend over te brengen.”

Tijdens de grote renovatiewerken van het Mortier-tijdperk zong José van Dam slechts één keer voor de Munt, dat toen was ondergebracht in het Koninklijk Circus, maar het was wel een van de opmerkelijkste rollen uit zijn hele repertoire: de vier antagonisten in Les Contes d'Hoffmann van Jacques Offenbach, in de Oeser-versie. De eerste opname zong hij in 1988 met Sylvain Cambreling en het Symfonieorkest van de Munt. Die versie wordt beschouwd als een van de meest volmaakte versies van het werk. In een interview met de Munt drie decennia later sprak de bas-bariton met ontwapenende eenvoud over zijn benadering van deze vier veeleisende rollen: “Een duivel zijn is gemakkelijk. Hij kent alle gebreken en kwaliteiten van Hoffmann. Hij heeft geen moeite om de zielen van zijn slachtoffers te doorgronden. Is dat niet ook een beetje de rol van de artiest?”

De val van de Berlijnse Muur

Sylvain Cambreling: José en ik deden samen een productie van Les Contes d'Hoffmann in de Metropolitan Opera in New York, waar ik een onuitwisbare herinnering aan heb overgehouden. Dat was in 1989. Op een avond, tijdens de pauze, kwam hij naar me toe en zei: “Sylvain, de muur is gevallen.” Ik maakte me meteen zorgen. Waar? Welke muur? Ik dacht dat hij het over het decor had. Toen zei hij: “Maar nee, in Berlijn. De muur is gevallen. Ik heb het net op televisie gezien.” Die avond hebben we tot in de vroege uurtjes champagne gedronken ...

Het kwam niet als een verrassing toen Gerard Mortier en Sylvain Cambreling besloten om José van Dam de hoofdrol toe te vertrouwen in Mozarts Le nozze di Figaro voor hun afscheid van de Munt in 1991. Een personage dat hij in zijn carrière meer dan vierhonderd keer speelde.

Reprises en nieuwe producties

« Pelléas et Mélisande », Debussy (1999)
« Pelléas et Mélisande », Debussy (1999)

Toen componist Bernard Foccroulle in 1992 de teugels van de Munt overnam voor een mandaat dat tot 2007 zou duren, was het “een voor de hand liggende keuze om José van Dam rollen te blijven aanbieden. Hij was de grootste Belgische zanger van zijn generatie, met een internationale carrière op het hoogste niveau. Ik herinner me nog de eerste keer dat ik hem hoorde zingen. Ik weet zelfs nog dat mijn vrouw en ik op het derde balkon zaten bij een uitvoering van Don Carlo waarbij hij de rol van Filippo II zong. Dat was onvergetelijk. Vanaf 1992 leerde ik hem eerst professioneel en daarna vriendschappelijk kennen. Bij mijn weten is hij de enige artiest die een kwart eeuw lang elk jaar in de Munt heeft gezongen, soms zelfs meerdere keren in hetzelfde seizoen. Zodra ik een seizoen aan het plannen was, bespraken we wat hij graag zou willen doen, de rollen die hij nog niet had gezongen of die hij nog een keer zou willen vertolken in nieuwe producties. Hij was een vaste waarde in het operahuis, een evenwichtig en heel collegiaal iemand. Hij was altijd vriendelijk en professioneel met al zijn collega's en zeer bemoedigend naar jonge mensen toe.”

In 1999 hernam José van Dam een van zijn meest emblematische rollen in de Munt, Golaud in Debussy's Pelléas et Mélisande, in de productie van Herbert Wernicke. Zijn interpretatie werd geprezen door de pers, die hem zag als de Golaud van de eeuw: “Hij is imposant en hard, zowel in zijn vastberadenheid als in zijn spijt. Zo wordt hij het referentiepunt, alsof hij in deze wereld van onwerkelijkheid de enige normale mens belichaamt. Dat komt misschien wel door zijn feilloze dictie, die altijd in dienst staat van een geëngageerde dramatische expressie en gepaard gaat met een heerlijk warm timbre.” (Serge Martin, Le Soir). Die mening deelt Bernard Foccroulle, die het gevoel had “dat hij Golaud was. Hij had het personage in zijn stem. We hadden het gevoel dat hij de rol zelf gemaakt had.”

Dat is natuurlijk deels te danken aan zijn beheersing van en liefde voor de Franse taal. Hij bleef het Franse repertoire vervolmaken op het podium, in recitals en tijdens opnames, zoals blijkt uit een productie van Berlioz' La Damnation de Faust in 2002, waarin de Belgische bas-bariton de affiche deelde met een jonge Jonas Kaufmann en de sopraan Susan Graham. “Vocaal en muzikaal was dat echt van topniveau”, benadrukt Bernard Foccroulle. “Het was een bijzondere gelegenheid, omdat het een van de laatste producties was onder leiding van Antonio Pappano, met wie José bevriend was geraakt. In 2000 hadden ze samen een prachtige Falstaff neergezet in de regie van Willy Decker. Hij zong die rol graag, omdat hij de humoristische kant ervan apprecieerde. Als artiest hield hij een perfecte balans tussen ernst, diepgang en lichtheid. Zijn timbre was meteen herkenbaar. Als ik zijn stem visueel zou moeten omschrijven als een piramide, had hij een zeer rijke klankkleur in alle harmonische lagen, berustend op stevige technische fundamenten en een onberispelijk legato. De tekst verdween daarbij nooit op de achtergrond. Je kon elk woord dat hij zong, verstaan, in het Frans, Italiaans, Duits en zelfs Russisch. Ik heb erg goede herinneringen aan de Boris Godunov die we in 2006 deden met Klaus Michael Grüber en Kazushi Ono.”

Die productie is een van zijn laatste grote rollen in de Munt. Ondertussen werd hij gevierd in de filmwereld met Le Maître de musique van Gérard Corbiaux, die genomineerd werd voor een Oscar voor Beste Niet-Engelstalige Film in 1989. Bovendien werd hij door Koning Albert II tot Baron benoemd in 1998 en werd hij de bezieler en Master in Residence van de zangafdeling van de Muziekkapel Koningin Elisabeth in 2004. Toch werd hij nooit een ‘ster’. Hij hield niet van het woord en van sterallures. “Hij beschouwde al het personeel in de Munt als familie”, herinnert Bernard Foccroulle zich. “Begin jaren 2000 gaf het team van podiumtechnici hem een rekwisiet als teken van hun waardering. Het was een manier om hem te vertellen dat ze hem als een van hen beschouwden. Ik denk dat dat hem echt geraakt heeft.”

Het afscheid

“Toen ik mijn carrière begon bij de Munt, dacht José al na over het einde van de zijne,” herinnert Peter de Caluwe zich, Algemeen en artistiek directeur van het Brusselse operahuis van 2007 tot 2025. “Ik denk dat ik zowat alles had gehoord wat hij in Brussel had gedaan. Ik had al contact met hem gehad tijdens mijn periode in de Munt in het Mortier-tijdperk en later, toen ik in Amsterdam werkte. En ik weet nog heel goed dat ik aan het begin van mijn eerste mandaat nadacht over met wie ik absoluut wilde blijven samenwerken. In de eerste plaats Kazushi Ono. Anne Teresa De Keersmaeker en Philippe Boesmans natuurlijk. En José Van Dam, vanzelfsprekend.”

« La forza del destino », Verdi (2008)
« La forza del destino », Verdi (2008)

In 2008 maakte de toen 68-jarige bas-bariton zijn debuut als fra Melitone in Verdi's La forza del destino, een kleine maar interessante rol die perfect bij zijn stem paste. "Ik herinner me nog zijn eerste opkomst in deze productie. Er was een deur met daarin een klein raampje, waarin José's gezicht opeens tevoorschijn kwam. Die simpele handeling lag volledig in lijn met wie hij was: zo eenvoudig, maar recht in de roos. Tijdens onze gesprekken toen vertelde hij me al dat hij op een bepaalde leeftijd wel zou stoppen."

In 2010 nam hij afscheid van het operatoneel als Don Quichotte in de gelijknamige opera van Jules Massenet in Brussel, in een regie van Laurent Pelly. Een van de mooiste producties waaraan hij heeft deelgenomen, zo zei hij zelf. Bij zijn afscheid van de Munt bekende hij dat hij liever heeft dat mensen zeggen “dat het jammer is dat van Dam niet meer zingt dan dat het jammer is dat hij blijft zingen”. “In zekere zin was de rol van Don Quichotte de ideale keuze voor zijn afscheid,” vertelt Peter de Caluwe. “De dood van het personage is zo kalm, zo vredig. Hij dooft uit als een kaars. Het is prachtig. En ik denk dat José erg hield van zijn naïviteit, die Laurent Pelly op een heel poëtische manier heeft verbeeld in een wereld van papier en boeken. Het was de bibliotheek van Don Quichotte. Er hing veel verwachting rond die productie. De voorstelling werd live uitgezonden op verschillende zenders, koningin Fabiola zat in de zaal… Maar achter de schermen was er nooit ook maar de minste ongerustheid, want José was nog altijd in schitterende vocale vorm. Ik voelde me bijna een beetje ongemakkelijk om het zijn afscheid te noemen, zo hoog was het niveau van zijn vertolking. Maar wat José van Dam, los van zijn stem, werkelijk onderscheidde, was de mens die hij was. Hij was een empathische zanger, vol menselijkheid. En die laatste Don Quichotte was daar een prachtig voorbeeld van…”

Terugblikken op de carrière van José van Dam is ook dertig jaar geschiedenis van een operahuis dat voor altijd zijn stempel zal dragen. Het viel mijzelf, de auteur van dit artikel, ook zwaar om afscheid te nemen, want hij heeft een cruciale rol gespeeld in het aanwakkeren van mijn liefde voor de kunstvorm. Ik hoop dat de echo van zijn stem zo lang mogelijk weerklinkt in het hart van Brussel en dat van mijzelf.