Roméo et Juliette
Beklijvende beelden voor een levende kunstvorm
- Leestijd
- 4 min.
Cécile Trémolières is in de Munt samen met regisseur Julia Burbach verantwoordelijk voor het decor en de kostuums van Gounods Roméo et Juliette. Daarbij schept ze een wereld waarin het beeld in nauwe dialoog treedt met de muziek en de actie. In dit interview, opgetekend door Marie Baudet, vertelt ze over de visuele dramaturgie van de voorstellingen, over het evenwicht tussen overdaad en terughoudendheid, en over hoe ze kostuums ontwerpt op maat van de vertolkers, van hun lichamen, hun stemmen.
Cécile Trémolières
Cécile Trémolières groeide op in Frankrijk en heeft een voorliefde voor literatuur. Als kind woonde ze een Faust-uitvoering bij die een blijvende indruk naliet. Ze woonde een tijd in Londen om zich in de Engelse taal onder te dompelen.
Rond 2010 vielen veel Franse theaterproducties op door hun soberheid. Dat was in Engeland wel anders: “Het was een schok, ik vond het geweldig”, zegt ze. “Het heeft me nieuwsgierig gemaakt naar wie wat doet in het theater.” Haar passie voor tekenen en voor podiumkunsten voerde haar naar het Wimbledon College of Arts, een van de zes scholen die deel uitmaken van de prestigieuze University of the Arts London. Ver van alle strenge academische normen maakte ze er kennis met “een veel vrijere, instinctievere benadering, die afstand nam van het intellectualisme, of dat toch terzijde wist te leggen”.
In 2013 was de jonge scenografe een van de finalisten van de Linbury Prize. Dat leverde haar zichtbaarheid op, alsook “een voet tussen de deur” van de theaterwereld. Gaandeweg raakte ze betrokken bij steeds omvangrijkere producties en groeide haar reputatie als jonge professional – een dynamiek die nog werd versterkt door het voor de Britten kenmerkende hot new thing-fenomeen. Al in 2015 maakte ze kennis met Julia Burbach op het Grimeborn Festival, naar aanleiding van een Madama Butterfly in het Arcola Theatre. Het klikte meteen, waarna ze gingen samenwerken, onder meer in Duitsland, “in operahuizen van middelgrote omvang – precies de juiste schaal om het vak echt te leren”, aldus Trémolières. 2020 was het jaar van achtereenvolgens de Brexit en de coronapandemie. Terug op het Europese vasteland breidde ze haar ervaring in de operawereld verder uit, zonder evenwel het theater helemaal los te laten. Mettertijd vond ze zo een evenwicht tussen beide disciplines.
Cécile Trémolières werd tijdens de Oper! Awards 2026 uitgeroepen tot ‘Best Costume Designer of the Year’.
Een shakespeareaans gemaskerd bal
In hun weelderige stadspaleis geven de Capulets een feest ter ere van hun dochter Juliette. Zo begint Gounods Roméo et Juliette. Voor hun invulling van die opera zijn Julia Burbach en Cécile Trémolières op zoek gegaan naar een visueel thema. Algauw kwam het idee van een shakespeareaans gemaskerd bal. Een knipoog niet alleen naar het alom bekende drama, maar ook naar andere toneelstukken van Shakespeare. “Het is een manier om ons vertrouwd te maken met de typische clichés en populaire beelden, inclusief de gebruikelijke fouten en karikaturen”, zegt Trémolières. “We kunnen ons ironie en zelfs bombast veroorloven – die is in de operawereld sowieso al aanwezig –, maar we moeten ze wel juist doseren: het gaat erom tegelijk de buitensporigheid te omarmen die opera mogelijk maakt, zonder dat het al te kitscherig wordt.”
Tegen de achtergrond van een strak en sober decor spreken de gekozen silhouetten, materialen, accessoires en kleuren meteen tot de verbeelding. Bruno Fatalot, hoofd van kostuumateliers van de Munt, is erg enthousiast over het krachtige en tegelijk uiterst verfijnde kleurenpalet van het bal: “Alles is uitgewerkt rond rode tinten, van poederroze tot bijna zwart.” Terwijl zijn medewerkers in de weer zijn met het vervaardigen van zo’n 200 kostuums ontwikkelt de dialoog tussen Trémolières en Fatalot zich op natuurlijke wijze, waarbij de nieuwsgierigheid van de ene die van de andere versterkt. Daardoor is er ruimte voor artistieke inbreng, voor wijzigingen waar nodig. Daarnaast zijn er ook overeenkomsten in hun parcours: allebei ontdekten ze opera in hun kindertijd en werkten ze vele jaren in de Angelsaksische theaterwereld.
Laat de scenografe/kostuumontwerpster zich ook leiden door de partituur? “Je moet op de tast zoeken naar de betekenis van de woorden, de muziek, maar ook naar wat tussen de regels gezegd wordt”, stelt Trémolières. Shakespeares drama mag dan de inspiratiebron voor de opera zijn, het libretto wijkt er behoorlijk van af. “Naast wat er staat moeten we bepalen wat we onderhuids kunnen suggereren – welke psychologische profielen, welke context – en hoe we kunnen verdiepen wat in het libretto soms afgevlakt is. Dat is een voortdurende uitdaging. Julia en ik houden ervan rijke verhalen te vertellen, waardoor we geregeld lagen toevoegen. De emotionele toon laten we uiteraard bepalen door de muziek en het ritme van de handeling. Sommige lange muzikale passages vragen erom dat je ze laat zoals ze zijn, andere moet je dan weer meer visuele invulling geven.”
“Vermijden dat het al te kitscherig wordt, maar tegelijk de buitensporigheid omarmen die opera mogelijk maakt.”
Het feest, de misdaad, de wereld erna
Elke opera is uniek, maar hoe vertel je zo levendig mogelijk een verhaal dat al zo vaak verteld is als dat van de geliefden uit Verona? “Hoe geef je meer reliëf aan de populaire cultuur? Hoe eigen je je iets toe wat iedereen al kent?” De eerste ideeën die bij Burbach en Trémolières opkwamen – het liefdesverhaal ontrollen, de enscenering zelf zichtbaar maken – maakten uiteindelijk plaats voor een andere kijk: “Zo dicht mogelijk blijven bij wat het is: een vuur dat alles in zeer korte tijd transformeert. Een avond, een feest, de nacht, de misdaad de dag erna, waardoor het verhaal naar een soort onderwereld gevoerd wordt waar dood en depressie de overhand krijgen.”
In die parallelle, bijna omgekeerde wereld bestaat niets nog echt. Daarom concentreren de scenografe en de regisseur zich op wat zich innerlijk afspeelt. “Het enige kader dat we duidelijk vastleggen, is de tijd”, zegt Trémolières. Die tijd wordt zichtbaar gemaakt in de kostuums die, zoals al gezegd, van rood evolueren naar wit dat gaandeweg met zwart wordt bevlekt. “Het gekostumeerd bal raakt langzaamaan ontwricht. Op het moment van de misdaad zijn de kostuums bezoedeld. Daarna geeft een specifiek visueel element de overgang naar een andere wereld aan.”
In contrast met de uiterst gedetailleerde kostuums blijft het decor sober – een uitzondering in Julia Burbachs vaak weelderige en kleurrijke universum. “Gounods muziek is van zichzelf behoorlijk ‘smeuïg’; daar willen we niet nog iets aan toevoegen.” Verfijning is zonder meer aanwezig, licht de scenografe toe, als resultaat van hun gezamenlijke zoekwerk: eerst een pragmatische analyse van wat het verhaal nodig heeft, daarna een intuïtievere benadering, tot uiteindelijk een esthetiek ontstaat rond terugkerende beelden. “Hier doet het centrale gegeven van de moord alles kantelen. Hoe vertaal je dat visueel? We hebben gekozen voor structuren die tegelijk bedreigend en licht zijn, en die de wereld verbeelden waarin Juliette leeft. We zijn bij de Capulets, en Romeo’s komst zal alles overhoop gooien. Die structuren hebben iets weg van een vogelkooi of van een maliënkolder; en dat alles in een zeer lege, zeer open ruimte, waarin ze kunnen dansen.” Tot het bloedvergieten, waardoor alles gitzwart wordt.
Visuele dramaturgie
Wat begint als een idee, ontpopt zich vervolgens tot een project en wordt daarna een “fysieke en technische urgentie”, wanneer de vele vragen rond fabricage, materialen en belichting aan de orde komen. Op dat moment ga je twijfelen, moet je keuzes maken, want je droom stoot op de grenzen van de realiteit. Maar, benadrukt Trémolières, “de Munt is wat dat betreft een ongelofelijke plek, waar de medewerkers in staat zijn vorm te geven aan wat ik me verbeeld heb”.
In haar ogen zijn “decor en kostuums niet louter een achtergrond, maar personages die moeten evolueren, die het verhaal moeten volgen”. En ook de vertolkers – de solisten, dansers en koorleden – moeten daarin meegaan. Die overgang blijft haar fascineren, ook al betekent het dat zijzelf langzaamaan meer afstand moet nemen van het project: “De stemmen, de mensen, de lichamen maken zich het project eigen, het is niet langer alleen van ons.”
In die periode staan luisteren, aandacht en zorg centraal. “Het mooie aan kostuumwerk is dat je werkt met mensen die gewend zijn zich bloot te geven, iets te belichamen wat groter is dan zijzelf, ook al beseffen ze heel goed dat ze deel uitmaken van een groter geheel. En soms moeten we hen ook helpen, moeten we hen er goed laten uitkomen. Ik ben gefascineerd door de présence van zangers op het toneel; daarom doe ik er alles aan opdat ze zich goed zouden voelen, dat de helling van het podium niet te steil is, dat hun kostuum comfortabel zit.”
Door haar dubbele betrokkenheid is Cécile Trémolières de dramaturge die zich bezighoudt met alle visuele aspecten van deze Roméo et Juliette. “Mijn opleiding was vooral gericht op decorontwerp, maar al doende heb ik me, dankzij vele mensen, ook in kostuumontwerp weten te bekwamen.”