Zerbinetta, explosieve seksuologe
in ‘Ariadne auf Naxos’
- Leestijd
- 5 min.
Op het snijvlak tussen farce en tragedie schittert de figuur van Zerbinetta in Ariadne auf Naxos. Camille De Rijck ziet in het personage een virtuoze clown die uit is op het vervullen van haar verlangens en openlijk filosofeert over de vrije liefde. Een erfgename van Mozart die door Strauss wordt heruitgevonden op een moment dat hij zelf als componist volop aan het evolueren is. Een spilfiguur in een voorstelling vol explosieve stemmen, theater in het theater en vrouwelijke emancipatie.
Ach, die rijken en hun perverse grillen, die het zuivere hart van artiesten op een dwaalspoor brengen – en dat nog eens hun goed recht vinden ook... Ariadne auf Naxos is een echt spiegelpaleis. Er is niet alleen theater in het theater, we zien ook hoe de organisator van de avond de werken die hij zelf heeft besteld, met voeten wil treden. Hij lijkt geheel in de greep van de schaamteloze onwetendheid die soms zelfs de meest gulle mecenas bezielt. En daar blijft het niet bij: hij is ook nog eens erg grillig en laf. Zelf verschijnt hij nooit op het toneel, zijn instructies laat hij doorgeven door zijn majordomus. Is Don Giovanni soms teruggekeerd uit de hel? En verschuilt die zich achter een Leporello die nog lafhartiger is dan die van Mozart?
Maar dan komt de aap uit de mouw: voor deze ene avond werden twee verschillende stukken besteld. Een antiek drama waarin Ariadne door haar geliefde wordt achtergelaten op een onbewoond eiland, en daarnaast een lichter stuk in de trant van het Italiaanse straattheater. En vervolgens vraagt men aan de artiesten, louter uit gemakzucht, om hun stukken tegelijk op te voeren. Terwijl dat verzoek de figuur van de Componist in een regelrechte psychotische ontreddering stort, ontstaat er tussen Ariadne, die zo koud is als marmer, en de stoïcijnse Zerbinetta, die haar compendium van Libidines Nefandæ kennelijk van haver tot gort kent, een verhouding waarin de man van geen tel lijkt.
Strauss’ lange weg naar een zeker feminisme
In het eerste deel van zijn operacarrière leek Richard Strauss geobsedeerd door monolieten. Voor zijn Salome baseerde hij zich op het maniëristische toneelstuk van Oscar Wilde – die het meteen in het Frans schreef, en wel in een stijl waarbij Stéphane Mallarmé nog voor een auteur van de postmoderne Nouveau Roman zou kunnen doorgaan. Strauss kiest echter voor een vocale schriftuur die haaks staat op de tekst. De zanglijnen zijn breed en gespannen, de stemmen moeten opboksen tegen een omvangrijk orkest dat niet vies is van een driedubbel forte.
In Elektra, zijn tweede grote triomf, op een libretto van de verfijnde Hofmannsthal, gaat de Beierse componist nog een stapje verder. De hoofdrollen zijn notoir zwaar, maar die van de jonge Elektra vergt meer dan wat een menselijke stem qua bereik aankan. Aan Strauss wordt vaak een uitspraak toegeschreven die in zekere zin te mooi is om niet apocrief te zijn. Na een repetitie zou hij tegen de hoofdvertolkers hebben gezegd: “Zing harder, ik hoor het orkest nog.” En als je weet dat Hamilcar Barcas’ galopperende olifantenleger bij Strauss haast als huppelende ballerina’s zou klinken, kan je raden voldoende duidelijk wat hij bedoelde.
Daaruit had men kunnen afleiden dat Strauss zijn toekomst zag in de excessen van de typisch wagneriaanse zangpartijen, maar zijn latere werk spreekt dat tegen. Al vanaf Der Rosenkavalier respecteert zijn vocale schriftuur de logica van een Sprechgesang, doorspekt met lyrische uitwaaieringen die doen denken aan het verfijnde vlechtwerk van Mozarts ensembles. Het vocale borduurwerk van de Feldmarschallin en Sophie, in het allerhoogste register, is een knipoog naar het “Quoniam” uit de Mis in c-mineur, waarin de sopranen elkaar in de hoogste regionen vlotjes naar de kroon steken.
Strauss, die tevens een weergaloos dirigent was, wist wat hij wilde, en dat was in de eerste plaats: wedijveren met Mozart. Der Rosenkavalier was trouwens het sleutelmoment waarop Strauss echt ‘uit de kast kwam’ als operafanaat. Treffen we in de salons van de Feldmarschallin niet een Italiaanse tenor aan die zich aan een zogenaamd stroperige cantilene waagt? Ironisch bedoeld natuurlijk, maar tegelijk ook een van de mooiste passages uit de hele opera.
In Ariadne auf Naxos vindt Strauss de ideale plek om alle archetypes van het operagenre tegelijk op te roepen – en hij lijkt volop van die muzikale macedoine te smullen. De Componist, een gekwelde figuur die door een mezzosopraan wordt vertolkt, verschijnt als een Cherubino die dan wel van zijn puistjes verlost is, maar zijn puberteitscrisis nog niet helemaal achter de rug heeft. Zerbinetta lijkt dan weer een mix van verschillende Mozartvrouwen. Om te beginnen is haar naam een samentrekking van die van twee protagonisten uit de Da Ponte-trilogie: Zerlina uit Don Giovanni en Despina uit Così fan tutte, wier karaktertrekken zij maar al te graag overneemt. Aan Zerlina ontleent ze haar verleidelijke coquetterie; aan Despina een soort nihilistische filosofie over de gevolgen van de liefde. Zo wordt zij het perfecte tegenbeeld van de donjuanistische estheet zoals Kierkegaard die definieert.
Zerbinetta en de Bechdeltest
Is het vergezocht te stellen dat Strauss zich heeft laten meeslepen door Mozarts militante feminisme? Als je zijn opera’s door de sociologische bril van de 21ste eeuw bekijkt, doorstaan er heel wat moeiteloos de Bechdeltest. Die komt hierop neer: laat twee vrouwelijke personages met elkaar spreken, maar wel over iets anders dan een man. Denk aan de confrontatie van Elektra met haar moeder Klytaimnestra. Zerbinetta, die dienstdoet als een soort geïmproviseerde relatietherapeute voor Ariadne, is weliswaar bezeten door seksualiteit, als een soort Alain Robbe-Grillet in een roze maillot, maar qua stem is ze een surrogaat voor Mozarts mooiste personages, met name Elettra in Idomeneo en Konstanze in Die Entführung aus dem Serail. Beide Mozartpersonages grijpen naar het hoogste register om de duizeling uit te drukken die hen overvalt. Die extreem hoge noten kenmerken het half-slaapwandelende gebied waar rede in waanzin omslaat – of, in het geval van Konstanze, in wanhoop.
Zerbinetta deinst echter niet terug voor die duizeling. Met haar vocale explosiviteit en buitengewone virtuositeit toont deze kleine, clowneske filosofe zich als een voorafbeelding van Giulietta Masina’s personage in Fellini’s Le notti di Cabiria: een vrouw die ervoor kiest de gemeenheid van mannen te beantwoorden met een stralende, vastberaden glimlach. Een vrouw die zich door een dorpsfanfare op sleeptouw laat nemen en verdwijnt in de nacht, vrolijk maar nog natrillend van emotie. Voor haar berust de schoonheid van de wereld op niets anders dan op haar vrijheid om te bestaan. En wat is zij anders dan de meest vrije van alle vrouwen, net zoals Zerbinetta?
Vertaling: Maxime Schouppe