De Munt / La Monnaie DE MUNT / LA MONNAIE

De verboden stem van de stad genaamd Hoekje

Johan de Boose
Leestijd
5 min.

De wandaden van het Russische gezag aan de kaak stellen, doe je niet ongestraft. Dat geldt voor klokkenluiders vandaag evengoed als voor klokken in de regeertijd van tsaar Boris Godoenov. Auteur en Ruslandkenner Johan de Boose zoomt in op de dramatische gebeurtenissen die aan Moesorgski’s gelijknamige opera ten grondslag liggen.

Wie vanuit Moskou naar Sint-Petersburg reist op de meest avontuurlijke manier, namelijk over de Wolga, komt na tweehonderddertig kilometer bij een bocht in de rivier, en in die bocht ligt mijn geboortestad. De stad – stadje eigenlijk, met amper veertigduizend zielen – ligt in een hoek, hoekje om precies te zijn, en daarom heet de stad ook zo: Oeglitsj, Hoekje. Hoekje was in de zestiende eeuw de lievelingsstad van Ivan IV, de eerste heerser van Rusland die zich officieel tsaar liet noemen en die de bijnaam ‘de Verschrikkelijke’ kreeg omdat grootsheid in de Russische politiek nu eenmaal niet los staat van schrik, of van een ouderwetse vorm van vrees, een begrip dat diep geworteld is in de christelijke traditie, die wil dat mensen op hun knieën door het leven gaan. Voor mij is die traditie tegelijk de bron van mijn bestaan en de tragiek van mijn lot: ik ben de bronzen ziel van de kerk in Hoekje, van het Kremlintje aldaar, dat noodgedwongen ondergeschikt is aan het grote Kremlin in het verre Moskou. En Moskou is, zoals iedereen weet, na de Middeleeuwen en de val van Byzantium het hart van Christus’ wereld, althans volgens de schriftgeleerden.

’Over die gebeurtenis, de ergste ramp van Hoekje en van het eeuwenoude Rusland, zal ik u het volgende verhaal vertellen, een verhaal dat wortelt in het verleden maar in de loop van de jaren zo breed vertakt is dat het tot vandaag reikt, alsof het de vervloekte vreesachtigheid van de eerste tsaar heeft bewaard en doorgegeven aan de volgende generaties.’

In de mooie rivierstad Hoekje werd ik gegoten, een bronzen kolos van vijfhonderd kilogram, ik kreeg er mijn stem, een klepel van twintig kilogram, en ik werd er opgehangen in de klokkentoren om de grootse momenten in het bestaan van de Russische mensheid op te luisteren met mijn gelui: bijvoorbeeld op feesten en bruiloften, en helaas ook bij begrafenissen en rampen. Alles wat te maken heeft met Hoekje kan gevat worden in verkleinwoorden, maar één gebeurtenis was zo groot, dat ze de geschiedenis definitief van koers deed veranderen. Over die gebeurtenis, de ergste ramp van Hoekje en van het eeuwenoude Rusland, zal ik u het volgende verhaal vertellen, een verhaal dat wortelt in het verleden maar in de loop van de jaren zo breed vertakt is dat het tot vandaag reikt, alsof het de vervloekte vreesachtigheid van de eerste tsaar heeft bewaard en doorgegeven aan de volgende generaties.

Ik weet nog goed hoe in de meimaand van 1591 de kersenbomen bloeiden in de tuin van ons kleine Kremlin. We leefden nog in de verrukking van het Paasfeest, dat onze winterse somberheid had verdreven met de belofte van een nieuw leven, niet alleen van een mooie zomer, maar ook van een verlichte toekomst. Misschien waren er wel jonge boerendochters die echt geloofden dat de wereld tijdens hun bestaan een andere wending zou nemen. Ik zag mannen die op hun knieën op de koude vloer in de kerk huilden van verwachting en vertrouwen. Er hing – en die beeldspraak is in mijn geval letterlijk te nemen – iets in de lucht, zodat ik zelf ook, elke zondagochtend na Pasen, en het meest op het Pinksterfeest, met het wildste genot de metten luidde, dong-dong-dong, begeleid door het getinkel van de kleine klokken als een zilverservies op Gods grote dienblad. Er zijn zulke momenten in de geschiedenis van de aarde, dat alle krachten van de natuur samenspannen en in staat zijn om wonderen of rampen te veroorzaken. Tijdens één zo’n wonder was ikzelf ooit gegoten uit de hete stroom van vuur, en zo waren ook de vuren in de lijven van de boeren in Hoekje opgelaaid zodat er dat jaar voor het eerst sinds lang weer meer kinderen werden geboren. Bij elk kind mocht ik het doopfeest inluiden.

Eind mei speelde Dmitri met de ijzeren ringen in de tuin. Iedereen verafgoodde de tsarevitsj, een zoon uit Ivans zevende huwelijk, nog meer nadat Ivan enkele jaren eerder na een partijtje schaak een beroerte had gekregen en – godzijdank – niet meer viel op te lappen. Dmitri’s zwakke broer droeg sindsdien de kroon, maar in werkelijkheid zwaaide oom Boris de scepter. Boris genaamd Godoenov. Ik zie Dmitri’s bolle wangen nog voor me, zijn ravenzwarte haar, zijn blote voetjes in het hoge gras langs de Wolga. Hij hield van ringwerpen, er was niets gevaarlijks aan, ik hoor nog steeds zijn stemmetje wanneer een ijzeren ring over een paaltje viel. Zijn stem zinderde na op mijn bronzen huid.

’En ik luidde, vuriger en harder dan ooit, zodat het hele land kon horen dat een groot onrecht was geschied. Ik herinner me dat iedereen huilde van verdriet en woede, het gehuil hield dag en nacht aan, omdat de laatste kans om Rusland te bevrijden van Ivans vloek verkeken was.’

Het was een complete verrassing die ochtend, toen zijn stem opeens heel anders klonk tijdens het ringwerpen. Ik kon niets zien, ik hoorde alleen een kreet en een doffe plof, en mijn eerste gedachte was dat hij een aanval van epilepsie had gekregen, zoals een paar keer per jaar gebeurde. Tegelijk verbaasde ik me erover dat iemand in plaats van naar hem toe te lopen om te zien wat er gebeurd was, juist van hem wegrende. Toen zijn moeder hem kwam zoeken, was het bloed van de jongen al uit de gemene snee in zijn hals weggestroomd. De wereld nam die dag inderdaad een andere wending, maar niet zoals we hadden gehoopt. Onderzoekers uit Moskou stelden vast dat Dmitri tijdens zijn epilepsieaanval ongelukkig genoeg met zijn hals op een van de ijzeren paaltjes terecht was gekomen, terwijl iedereen kon zien dat de wond met vakkundige precisie was aangebracht, niet door een paaltje maar door een dolk. In een minimum van tijd liep het plein voor het Kremlin vol met mensen, die schreeuwden dat het Godoenov was die de jongen had vermoord om zelf tsaar te kunnen worden. Hij had al van alles geprobeerd, zelfs met vergif, telkens tevergeefs, en men had in de omgeving van Hoekje een man gevonden met een bebloed hemd en een tas met een bebloed mes erin. In het gevecht, dat daaruit ontstond, vielen doden. Iemand klom in de klokkentoren en maakte de touwen van mijn klepel los, zodat ik begon te luiden. En ik luidde, vuriger en harder dan ooit, zodat het hele land kon horen dat een groot onrecht was geschied. Ik herinner me dat iedereen huilde van verdriet en woede, het gehuil hield dag en nacht aan, omdat de laatste kans om Rusland te bevrijden van Ivans vloek verkeken was. Ik luidde en luidde, zo hard en lang totdat Boris zijn bereden politie stuurde, een gevreesde bende agenten waartoe hij ooit zelf had behoord, meer nog, die hem groot hadden gemaakt. Zij sloegen alle opstandelingen dood en dreigden de stad in brand te steken, maar toen had Boris een beter idee.

Omdat het klokgelui onrust in het hele land had teweeggebracht, en omdat die onrust had geleid tot anarchie en geweld, werd ik losgerukt uit de toren, zodat ik op de grond viel en daarbij een breuk opliep. Er was honderd man nodig om me naar de rechtszaal te slepen, waar ik aan ketens werd vastgemaakt, alsof ik echt zou kunnen ontsnappen. Er kwam een rechter, benoemd door Boris, die mij met de hand op de Bijbel beschuldigde van staatsgevaarlijke vrijpostigheid, blasfemie en ongeoorloofd libertijns gedrag (hij gebruikte andere woorden, maar hier kwam het op neer). Ik werd veroordeeld tot twintig zweepslagen en verbanning. De ijzeren slagen trokken diepe wonden in mijn huid. Voordat men mij op transport zette naar Siberië, hakte men de klepel los, alsof ze letterlijk mijn tong uitrukten en ik voorgoed zou zwijgen. Honderden slaven, die zelf ook tot verbanning waren veroordeeld, sleepten me over de Oeral naar de Siberische stad Tobolsk, waar ik op een ommuurde moddervlakte werd achtergelaten, onder bewaking, opnieuw alsof ik zou kunnen ontsnappen. Ik kwijnde weg, jaar na jaar, decennium na decennium, eeuw na eeuw. Mijn huid, die toch onsterfelijk is, verweerde, trok krom, barstte en verroestte. Niemand keek nog naar me om, nooit meer zou ik mijn stem laten horen. Men zegt dat een latere tsaar het vonnis ongedaan heeft gemaakt, dat men mij heeft teruggebracht naar Hoekje, en dat ik opnieuw in de klokkentoren hang, met klepel en al, zodat ik weer kan luiden op alle feesten van de stad. Maar dat is niet waar. Mijn land houdt van leugens. In Hoekje hangt een deerniswekkende kopie. Mijn stem zal nooit meer klinken in Hoekje, net zomin als Dmitri’s stem, nergens, net zomin als iedere vrije stem in dit vreeswekkende land.