De Munt / La Monnaie DE MUNT / LA MONNAIE

Het vergeten onder ogen.

Béatrice Delvaux

Beatrice Delvaux
Leestijd
7 min.

Béatrice Delvaux kreeg te maken met het tijdelijke, brutale en diepgaande wegvallen van haar moeders bewustzijn. Ze vertelt over het innerlijke slagveld dat Alzheimer achterlaat: het vervliegen van de herinnering aan overledenen, het vervagen van familie- en vriendschapsbanden, die de levenden in een ‘niet-wereld’ doet belanden die we liever niet onder ogen zien. Schipperend tussen schaamte, vluchtgedrag en voortschrijdend inzicht belicht Delvaux onze relatie met ouderdom en geheugenverlies, alsook met die plekken die door de samenleving buiten beeld worden gehouden. Wat haar ertoe brengt een prangende vraag te stellen: kan het vergeten soms niet een andere deur naar menselijkheid openen?

“Waar blijf je? Ik verwacht je voor het ontbijt. Ik heb een halve pistolet bewaard voor Cécile, ze eet nooit veel.”

Ik verstijf achter het stuur van mijn auto. Ik ben kilometers ver weg en ik kan plots geen adem meer halen.
Cécile? Mijn zus is al acht jaar dood, en mijn moeder, die al twee jaar in een woon-zorgcentrum verblijft, eet haar ontbijt uiteraard alleen. Ik kijk naar mijn levensgezel, die naast me zit.
Hij raakt niet zo makkelijk van streek, maar ik zie de ontreddering in zijn blik.
Het lijkt alsof mijn lichaam het gaat begeven, alsof vanbinnen alles trilt. Seconden, minuten stilte. Hoe vertel ik het haar? Moet ik het haar zeggen? Zomaar, over de telefoon? Uiteindelijk antwoord ik, met het gevoel dat alles vertraagt, alsof elk woord voortaan tegen die nieuwe muur zal botsen en betekenisloos zal worden:

“Mama, ik kom straks, zoals gepland. En eh, Cécile, weet je... Net als papa is ze...”

Ze onderbreekt me, koeltjes:

“... O ja. Op de begraafplaats.”

Haar antwoord treft me als een dolksteek. Als een tweede dood. In de afgelopen acht jaar heb ik nooit over mijn zus horen praten alsof ze nog in leven was, alsof ze een kamer binnenkwam en aan tafel ging zitten. Die herinnering is des te ondraaglijker omdat ze zo haarscherp reëel aanvoelt. Plots neem ik het mijn moeder kwalijk dat ze me de indruk geeft dat mijn zus weer aanwezig is in mijn dagelijkse leven, tastbaar, ook al ben ik haar weduwe, of haar wees – valt het u op dat er geen term bestaat voor iemand die zijn of haar broer of zus heeft verloren?

In de auto kan ik de stilte aanraken. Er vallen geen woorden, alsof we willen vergeten wat er is gebeurd. Er vooral geen leven aan geven, ons vooral niet laten meeslepen in wat ons zojuist is overkomen.

Enkele uren later sta ik voor het rusthuis. Ik weet het: ik ben bang om de deur van haar kamer open te duwen, ik ben bang om fysiek de breuk met de normaliteit te ‘zien’. Daar is mama, in haar leunstoel. Zeer elegant zoals altijd. Haar mantel ligt op het bed, haar handtas staat klaar, ze heeft haar schoenen aangetrokken en ze is boos: “Ik wacht al uren, laten we gaan.” Waarheen? “We gaan terug naar huis, wat doe ik hier?” Die nacht ontsnapt ze uit haar kamer.
Ik vind haar de volgende dag, kwetsbaar, erg bleek, huilend. Die veeleisende vrouw, die de controle hield over elk detail van wat ze vaak haar “vierde leven” noemt – zoals ze deed met al haar andere levens, en vroeger met die van anderen –, is een klein, bang mensje geworden. “Er is mij gezegd dat ik mijn verstand verlies. Dat is niet mogelijk; niemand in mijn familie heeft ‘die ziekte’. Dat moest mij natuurlijk weer overkomen!” Ze wil haar kamer niet meer uit, wil niet meer beneden in de refter eten. Ze wil zich verstoppen, verdwijnen. “Ik schaam me, ik schaam me zo.” Ze smeekt me: “Zeg tegen de verpleegsters en de ziekenverzorgsters, zeg Dylan dat het me spijt.”

‘Hen’ zien? In deze gang ontwijk ik al maanden de blik van de gekrompen dametjes en ooit solide heren, die nu doelloos rondschuifelen, of als dode lichamen in fauteuils hangen. Het brein uitgeschakeld en de blik op oneindig. Te moeilijk, te angstaanjagend. Alsof ik, door ze niet aan te kijken, mama ervan kon weerhouden naar de ‘andere kant’ te gaan, alsof het mij ervan weerhield om in hun afgrond te vallen en het me beschermde voor ‘erna’, alsof het me bovenal de kans bood te vergeten dat deze ‘niet-wereld’ wel degelijk bestaat en leeft.

Op elke verdieping tref je een toegangscode op de muur aan, die achterstevoren moet worden ingetoetst zodat alleen wie nog ‘helder van geest’ is naar buiten kan. Intoetsen en verstand op nul: de mensen die men met die doorzichtige kunstgreep denkt te foppen of te beschermen, waren ooit ouders, werknemers, leraren, ingenieurs. Nu kunnen ze niet eens meer hun kamer terugvinden, hun voornaam zeggen, hun partner of kinderen herkennen, of ocharme vier cijfers lezen. Ze lopen rondjes en herhalen elke minuut hetzelfde woord, of lijken wel ‘bevroren’ in deze of gene leunstoel.
Toen op ik de eerste avond dat mama in haar nieuwe thuis sliep het verzorgingstehuis verliet, lag er voor de liftdeur een vrouw met een kaal hoofd op de grond. Ik belde gestrest de receptie: “Er is een vrouw op de grond gevallen!” De dienstdoende verpleger kwam aangelopen, boog zich over dat neergevallen lichaam en zei zachtjes, langzaam, teder: “Opstaan, Jenny, mevrouw moet erlangs.” Hij streelde haar elleboog, hielp haar rechtop en stelde haar gerust.
“Ben ik eraan? Ben ik eraan?” Bij elk bezoek loopt ze me nu achterna en draait zich dan om. Haar diepe stem, haar ijzige ogen verlammen me. Vergeten, snel vergeten.

“De ogen spreken boekdelen”: het spandoek met dit motto hangt hoog in de gang. Richt het zich tot de zorgverleners? Tot de bezoekers? Tot de families die hun geliefden niet meer aankijken? Die zondag voel ik me aangesproken door die woorden, die me mijn vluchtmisdrijf onder de neus wrijven. Schande dat ik het oogcontact met de dolende rusthuisbewoners ontwijk, schande dat ik de pas versnel tot aan mama’s kamer, waarin ik binnenglip alsof mijn leven ervan afhangt. Oef, niemand gezien, niemand gekruist. Maar wat beangstigt me toch zo? Dat ik besmet raak? Dat me plots een levensgrote spiegel wordt voorgehouden nu mijn moeder definitief, vrijwillig en helder van geest het besluit heeft genomen om naar een woon-zorgcentrum te verhuizen? Hoe kan ik, die al 40 jaar voor de waarheid uitkom, die transparantie en informatieverspreiding tot persoonlijke ethos heb verheven en tot opgestoken vinger naar anderen, hoe kan ik, die de blinde vlekken van de samenleving aan de kaak stel, weigeren om in mijn leven en tijdsbesteding ruimte te maken voor die plek en voor de mensen die daar worden opgevangen?

Al 40 jaar maak ik tijd voor alle ellende van België en de wereld, maar in de afgelopen drie jaar heb ik geen dag gevonden om te zien, te horen en te begrijpen wat er zich afspeelt binnenin die wereld van stilte en van mensen die wel zombies lijken? En wat als het allemaal uiterlijke schijn was, wat als er leven was in hun leeg gewaande ‘doos’? En wat als zij iets belangrijks, gevoeligs, anders te zeggen hadden – tegen ons, tegen mij – in deze wereld die te pas en te onpas chat, tweet, whatsappt en tiktokt?

“There is a place in the brain,
where music lives,
where music plays,
time cannot touch it.
 
Through music,
we teach into a place,
the hiding hole of music,
to bring out memory.
 
Sound. Sound is with us
From the beginning to the end.”
Dr Klugman in *Lucidity*

Als er in de hersenen voor altijd plek is voor muziek, dan moet er ook plek zijn voor kleuren, dieren, gewaarwordingen, genot, toch?

Zondag, 18.00 uur. Het is buiten koud en donker. Een oud vrouwtje met kortgeknipt wit haar wacht in de leunstoel bij de uitgang, in haar zwarte jas, haar handtas in de aanslag, met schoenen aan in plaats van pantoffels. Ik hoef haar maar twee seconden aan te kijken – is het hoe ze zit, op de loer? Haar pupillen rollen van links naar rechts, wachtend op een onopmerkzaamheid van de voorbijgangers – of ik weet het, ik voel het: ze wil ontsnappen.
Ik toets de vier cijfers achterstevoren in, de schuifdeur gaat open, ik ga naar buiten, zij komt achter me aan, gehaast, en ik hou haar tegen: “Waar gaat u heen mevrouw, u mag niet naar buiten!” Maar waar haal ik dit vandaan? Met welk recht? Ze is geobsedeerd door de buitenwereld die nu eindelijk binnen handbereik is. Ze begint te schreeuwen, zonder me aan te kijken: “Laat me verdomme met rust. We kennen elkaar niet.” Ik blokkeer haar, ze duwt, ik roep: “Help, ik heb hulp nodig!” Maar wie denk ik wel dat ik ben? Ik schaam me, hoop dat niemand me ziet. Dat vrouwtje, opgesloten als ze is in haar wereld, haat me, omdat ik het deksel sluit dat ze heeft weten open te wrikken. Een kok komt aanlopen, ik vlucht. Buiten! Mijn voorrecht, ooit het hare. Op een dag is mijn plaats aan de andere kant van de deur en word ik op mijn beurt tegengehouden door een jongere vrouw, die me verbiedt naar buiten te gaan. Vergeten. Snel vergeten. De andere oever bereiken, de overkant. De juiste kant?

Waarom slagen ‘zij’ er wel in? Ik heb hen Jenny teder zien omhelzen als ze de kluts kwijtraakt. Ze hebben mama niet aan haar lot overgelaten toen ze verdwaald was – “We gaan u wel helpen, mevrouw”. Ze verversen luiers, bekijken familiefoto’s, deppen midden in de nacht zwetende voorhoofden. Ik zou hun moeten vragen me te leren, me te laten zien hoe de drempel te overwinnen die me belet om die grens over te steken, hoe ik die ‘niet-wereld’ kan inpassen in de wereld die me zozeer in beslag neemt? Hoe maak ik me die gangen en die mensen eigen die mama spontaan heeft geadopteerd en die ze tot haar nieuwe dorp heeft gemaakt. Het laatste? Ook dat heeft ze genormaliseerd – “Je zult eraan moeten wennen, ik ga op een gegeven moment weg zijn.” – terwijl ze die vraag herhaalde die uit al die kamers lijkt te sijpelen: “Waarom leven we toch zo lang?”
Wat als vergeten het leven makkelijker maakt? Wat als het bewustzijnsverlies van diegene die we al zo lang kennen ons de kans biedt om opnieuw op te bouwen wat gebroken of beschadigd geraakt is? Op dagen dat ik ‘mijn moeder kwijt was’, betrapte ik me erop dat ik haar waste, kuste, haar wangen streelde, teder en lief was. Alsof haar plotselinge fragiliteit en afwezigheid het wantrouwen uitdoofde en oude wrok uitwiste. Het is alsof ik niet langer op mijn hoede hoefde te zijn, mezelf niet meer moest beschermen tegen haar intensiteit en haar overwicht, en ik me nu moest concentreren op liefde, aanwezigheid en een uitgestoken hand. Alsof de oorsprong van conflicten zinloos was geworden, alsof de conflicten zelf vergeten waren. Nu is de tijd aangebroken voor subtiliteit, nuance, reflectie en overgave. Eindelijk.
Ik ben gaan wensen dat Alzheimer de wereld zou inpalmen. De Libanees-Canadese auteur Wajdi Mouawad heeft zoveel toneelstukken gewijd aan de vernederingen die sinds de oudheid eeuwige wraak en verdeeldheid voeden. Wat als de wereld nu eens ‘zijn geheugen verloor’, om aan een toekomst te bouwen waarin je de ander aanvaardt zoals hij is, bevrijd van de last van het verleden?
Toen de Munt me voorstelde om een tekst te schrijven over een opera die in wezen over Alzheimer gaat, heb ik domweg ja gezegd. Zo ben ik nu eenmaal: een schrijfopdracht aanvaarden over een onderwerp waar ik geen specialist in ben en waarover ik alles te leren heb. Zo aanmatigend! Ik ben de lezer excuses verschuldigd voor dit misbruik van journalistieke autoriteit. Maar ik ben ook dankbaar voor de valstrik die ik voor mezelf heb gelegd: schrijven dwong me om woorden te vinden voor mijn vluchtgedrag. En om ‘het vergeten’ eindelijk onder ogen te zien.