Opera in het hart van de stad
Intro seizoen 2026-27
- Leestijd
- 8 min.
De vorm verrast maar is veelzeggend: als seizoenspresentatie laten de twee gangmakers van de Munt, Christina Scheppelmann en Alain Altinoglu, zich samen interviewen door Martine D. Mergeay. Niet om te verkondigen of te bekrachtigen, maar om vragen te beantwoorden en ook zichzelf in vraag te stellen.
DE MISSIE VAN DE DIRECTIE
Vanwaar het idee om, aan de hand van een dubbelinterview, dit seizoen gezamenlijk voor te stellen?
CHRISTINA SCHEPPELMANN — Ik wou dat je de tijd zou kunnen vinden om álle medewerkers van dit huis te ontmoeten en hen te horen vertellen over de honderden, duizenden kleine en grote voorbereidselen die al in gang zijn gezet voor 2026-27. Ik voel me ongemakkelijk bij de gedachte om me al dit werk alleen te willen toe-eigenen. Het gaat niet om wat ik doe of jij doet, het gaat om wat de Munt doet! We zijn met 420 mensen die het huis draaiende houden, en al die mensen zijn verantwoordelijk voor de goede werking ervan. Ik oefen mijn verantwoordelijkheid uit als Algemeen directeur, en Alain is er om het beste werk te leveren op muzikaal vlak. Hij dirigeert twee sleutelproducties van ons operaseizoen (Wozzeck en Boris Godounov) en heeft een cruciale rol als Muziekdirecteur van ons orkest, waarmee hij ook zes symfonische concerten brengt en de finale van de Koningin Elisabethwedstrijd verzorgt.
ALAIN ALTINOGLU — Ik ben het roerend met je eens: bij de Munt wordt het seizoen collectief opgebouwd, iedereen draagt zijn steentje bij. Deze gezamenlijke presentatie drong zichzelf op, omdat ze een weerspiegeling is van de realiteit van ons werk.
Als Muziekdirecteur waak ik over de ontwikkeling van de muzikale krachten van het huis, over de kwaliteit en de uitbouw van ons koor en orkest. Deze aandacht voor samenhang en samenwerking sluit ook aan bij wat ik zelf heb mogen ervaren tijdens mijn loopbaan, waarbij ik als gastdirigent ook vaak heb kunnen steunen op het werk van mijn collega’s.
DE SPRONG VAN REALITEIT NAAR POËZIE
Christina, jij kwam naar Brussel met de reputatie van een pragmatische intendant in Amerikaanse stijl, maar presenteert hier heel wat recente opera’s met een uitgesproken ethische, soms ook polemische dimensie. Werken over thema’s als de ziekte van Alzheimer, gender, kolonialisme…
CS — Je kunt pragmatisch zijn en toch maatschappelijke thema’s aansnijden, dat is niet onverenigbaar… In de opera Lucidity van de Amerikaanse componist Laura Kaminsky staat de impact van de ziekte van Alzheimer centraal, een bijzonder interessant thema omdat het niet ‘discriminerend’ is: deze ziekte kan iedereen treffen, in alle milieus. Ik denk ook aan M. Butterfly van de Amerikaans-Chinese componist Huang Ruo, die aan de hand van een interculturele liefdesaffaire en spionagezaak uit de jaren 1960-80 een licht werpt op de soms complexe beleving van genderidentiteit. Of aan Burmese Days van Prach Boondiskulchok dat, geïnspireerd op het gelijknamige boek van George Orwell, over kolonialisme handelt.
Maar zelfs al zijn deze onderwerpen actueel, ze bepalen niet onze hele programmering. Sommige van mijn criteria zijn prozaïscher: ik vraag me afwelke waardevolle stukken hier al lang niet meer zijn opgevoerd – op de terugkeer van Roméo et Juliette (Gounod) of Ariadne auf Naxos (Strauss) moet het Muntpubliek al wachten sinds 1959 en 1997 – of zelfs helemaal niet! Ik let er ook op dat het repertoire gevarieerd blijft qua periode, taal, traditie, school en, heel belangrijk, dat ik de musici en zangers niet opbrand!
AA — Een ander essentieel criterium heeft te maken met de praktische uitwerking van een seizoen: als we kijken naar de planning van de techniek, de beschikbaarheid van teams, diensten en zalen, en je voegt daar nog eens de beperkingen van de agenda van de artiesten aan toe, dan moet je een enorm complex schaakspel weten te beheersen.
CS — Het risiconiveau is in ons vak altijd maximaal, en dat is precies wat het zo mooi maakt. Het is ergens zelfs de voorwaarde voor schoonheid. Een geslaagde productie is een productie die zoveel mogelijk parameters, inclusief de tijd, onder controle weet te houden, zonder dat de materialiteit van het proces de poëtische kwaliteit ondermijnt. Sterker nog: een geslaagde productie is een productie die al deze materialiteit weet om te zetten in poëzie!
DE GRILLEN VAN HET REPERTOIRE
Nog steeds over de hedendaagse opera en zijn banden met de actualiteit: het doel is niet louter een actieve ondersteuning van creaties, maar de focus ligt ook op het vormen van nieuw repertoire…
CS — Ja, het ene leidt trouwens tot het andere. Maar om ervoor te zorgen dat een opera in het repertoire wordt opgenomen, volstaat het niet om hem te creëren. Hij moet ook worden opgevoerd én heropgevoerd, in steeds nieuwe ensceneringen: zonder dit proces van herhaling en circulatie in verschillende operahuizen maakt een nieuwe opera geen schijn van kans om te overleven. Kijk naar het verleden: de premières van La traviata en Carmen waren rampzalig. Als het daarbij zou gebleven zijn, zouden deze meesterwerken de eerste hindernis niet hebben genomen en zouden ze in de vergetelheid zijn beland… Dat is wat we gaan proberen te doen met M. Butterfly en Lucidity: ze een plaats bezorgen in het repertoire.
AA — Ik wil hieraan toevoegen dat sommige operadirecteurs geneigd zijn om koste wat kost op zoek te gaan naar primeurs, naar exclusiviteit en nieuwigheid, en zich terughoudend opstellen inzake hernemingen. Vertrouwen tonen in een weinig bekende hedendaagse opera, hem opnieuw op het programma zetten in een nieuwe productie, dat is een echte beleidskeuze.
DIRIGENT, DIRIGENTES
Als we het volledige operaprogramma bekijken, springen enkele elementen in het oog. Allereerst is er de toename van het aantal producties (9 opera’s, waarvan 2 kameropera’s) en van het aantal voorstellingen (in plaats van 59 voorstellingen in 2025- 26 worden het er dit seizoen 72).
CS — Zelfs in tijden van budgettaire beperkingen blijft het onze prioriteit om het Belgische publiek een rijke en reguliere toegang tot opera te bieden. Dat lukt ons door langere speelreeksen van dezelfde productie aan te bieden, grote successen zoals Cavalleria rusticana en Pagliacci te hernemen en meer intieme en compacte formats zoals kameropera’s te verkennen. Door coproducties met onze Europese partners kunnen we ons aanbod verrijken en tegelijkertijd middelen delen. Een duurzame aanpak die zowel economisch als ecologisch voordelig is. Zo blijven we een ambitieus en voor iedereen toegankelijk operahuis.
Andere vaststelling: vijf van de zeven producties in de Grote Zaal worden gedirigeerd door vrouwen.
CS — Oh, dat is een beetje toeval. (Iedereen lacht.)
AA — Ik ben blij dat de mentaliteit sterk is veranderd ten opzichte van wat ik twintig jaar geleden heb ervaren, toen een vrouwelijke dirigent bij sommige musici nog spottende opmerkingen uitlokte…
En jij, Alain, krijgt het gezelschap van Wozzeck en Boris…
AA — Twee immense meesterwerken, waarvoor ik een grenzeloze bewondering koester en die ik altijd al heb willen dirigeren. Wozzeck van Alban Berg is een absoluut kroonjuweel, intens, ontroerend, onbeschrijfelijk…
CS — Wozzeck is een nieuwe productie, geregisseerd door Christophe Coppens, een artiest voor wie ik enorm veel respect heb en die onlangs nog te gast was voor Bellini’s Norma. Boris Godoenov is een coproductie met de Opéra de Lyon, in een regie van Vasily Barkhatov, die het seizoen 2025-26 van La Scala opende met een spraakmakende Lady Macbeth uit het district Mtsensk van Sjostakovitsj. Het werk van Barkhatov is tot in de puntjes verzorgd, soms complex, maar alles blijft coherent en getuigt van een ongelooflijke intelligentie.
AA — In Boris Godoenov komt de muziek van Moessorgski mij door zijn ongepolijste en radicale karakter als typisch Russisch over, iets waarin hij enigszins verschilt met bijvoorbeeld Rimski-Korsakov, een componist die dichter bij de westerse harmonische geest staat. Dat laatste geldt overigens ook voor Tsjajkovski, van wie ik dit seizoen de Vierde symfonie dirigeer.
Dat brengt ons bij jouw symfonische concertreeks…
AA — Het gaat om een vrije programmering, maar ze is vaak gelinkt aan een artistieke actualiteit. Zo kondigt het openingsconcert al de feestelijke herdenking van Beethovens 200ste sterfdag in de lente van 2027 aan, met de uitvoering van zijn beroemde Vijfde symfonie, voorafgegaan door het Vierde pianoconcerto met de sublieme Seong-Jin Cho als solist. Maar niet alles zal even vertrouwd in de oren klinken! We brengen twee concerten met de Lyrische Symphonie van Zemlinsky, een aangrijpend mooi werk op gedichten van de Indiase Nobelprijswinnaar Rabindranath Tagore dat ik al heel lang wilde dirigeren. Daarnaast zijn er ons nieuwjaarsconcert, waarin Gershwins An American in Paris wordt gekoppeld aan de wereld van Offenbachs La Gaîté parisienne, symfonische programma’s met Spaanse en Venezolaanse invloeden, een zomerse seizoensfinale en onze familieconcerten met De toverfluit.
De concerten worden vaak ook gekoppeld aan de opera die op dat moment wordt opgevoerd en maken het ook mogelijk om met aangepaste formats contact te leggen met publiek van alle leeftijden – kinderen, tieners, volwassenen. Zulke ontmoetingen boeien me enorm en ik kijk ernaar uit om een zo breed mogelijk publiek te verwelkomen!
OVER DANS EN DE KRACHT VAN DE MENSELIJKE STEM
Om terug te komen op de programmering: dans maakt zijn grote comeback in de Grote Zaal!
CS — Dans is voor mij een uiterst belangrijke kunstvorm en ik ben er trots op dat we dit seizoen met Sasha Waltz en Sidi Larbi Cherkaoui twee choreografen van internationaal kaliber verwelkomen die ook bij het Belgische publiek welbekend zijn. Ook Anne Teresa De Keersmaeker staat uiteraard op de affiche: we presenteren haar nieuwe creatie op muziek van Philip Glass in het Théatre National Wallonie-Bruxelles – samen met KVS onze vaste partner voor Troika Dance.
En de recitals, waarvoor je stuk voor stuk grote namen hebt uitgenodigd?
CS — Ik wil graag komaf maken met de soms ietwat saaie, statische recitals, waarbij minstens de helft van het publiek geen flauw benul heeft van wat er gezongen wordt. Er zijn manieren om het genre te vernieuwen, met andere formules en een ander repertoire – bijvoorbeeld Frank Sinatra door Lucio Gallo, jazz met Marina Viotti, folkmuziek met Emily d’Angelo en spirituals met Jeanine De Bique of Freddie Ballentine – en des te beter als we daarbij ook eens Schuberts Winterreise een plaats kunnen geven.
AA — Toch ook geen slechte muziek. (lacht)
Over naar het cruciale belang van de menselijke stem: wat zijn de criteria voor de selectie van bepaalde zangers en welke politiek hanteert de Munt om ons als samenleving te sensibiliseren over het belang van zang?
CS — Wat voor mij doorslaggevend is bij de casting zijn de kwaliteit van de stem en van het acteerwerk, en de geschiktheid van het stemtype voor de rol. Echt ‘magische criteria’ zijn dat niet. Wat de sensibilisering voor de zangkunst betreft, denk ik in alle eerlijkheid dat die rol vooral aan de scholen toekomt…
Dit gezegd zijnde, zet de Munt zich op verschillende niveaus in, via het Kinder- en jeugdkoor, de MM Academy, het Choeur Cassandra Koor, ons sociaal programma ‘Een brug tussen twee werelden’… We leggen de focus dus vooral op het zingen in groep. Dat is voor veel deelnemers niet alleen een groot plezier, maar vaak ook een diepgaande ervaring. Het maakt je er tegelijk bewust van hoeveel inspanningen het vergt om als zanger door te stoten tot de grote podia.
En dan zijn er nog de meer intieme podia, zoals die van de Concertini.
AA — Voor mij blijven deze wekelijkse kamermuziekconcerten een van de pijlers van onze muzikale praktijk. Het is een specifiek en nauwgezet artistiek werk dat onze musici in staat stelt om zich bij het publiek bekend te maken, elkaar beter te leren kennen en via een omweg de kwaliteit van het orkest verder te ontwikkelen. Om nog maar te zwijgen van de pracht van het aangeboden repertoire.
Laatste vraag, die ook de eerste had kunnen zijn en die alle andere vragen omvat: de Munt, een theater in het hart van de stad?
CS — De werkelijkheid om ons heen is de inspiratiebron van alles wat wij doen! En het doel is niet langer om te bewijzen dat de Munt openstaat voor de stad en voor het publiek, maar vooral om daar zoveel mogelijk mensen bewust van te maken. We openen echt onze deuren. Op dit eigenste moment [januari 2026, n.v.d.r.] zijn er in onze inkomhal tientallen studenten aan het blokken. Onze activiteiten voor scholen, jongeren en gemeenschappen bereiken bijna 40 000 mensen.
AA — Christina en ik, maar ook al onze collega’s bij de Munt, zijn de schakels tussen de stad en de opera, net zoals ikzelf als dirigent een schakel ben tussen de componist en het publiek…
CS — Tussen de zuilen van de façade hebben we een grote afbeelding van de zaal gehangen, die de boodschap uitdraagt: ‘Ja, hier gebeurt iets waarbij het publiek welkom is’. De Munt is meer dan een mooi fronton boven mooie zuilen, het is een operahuis. En La traviata is niet alleen de naam van een pizzeria…’ Het is geen schande om dat niet te weten, het is onze taak om het publiek duidelijke en aantrekkelijke informatie te geven: we hebben echt alles in huis om jullie te verwelkomen.