De Munt / La Monnaie DE MUNT / LA MONNAIE

Medusa

Korte inhoud

Marie Mergeay
Leestijd
5 min.

Bereid je optimaal voor op de voorstelling Medusa en lees hier vooraf alvast het volledige verhaal van de opera, opgetekend door huisdramaturg Marie Mergeay.

EERSTE BEDRIJF

Eerste scène

Grotten bij de zee. Stheno en Euryale zijn humeurig na een lange nacht waarin ze angstvallig over Medusa’s veiligheid hebben gewaakt: vanaf de zee weerklinken immers mannenstemmen die haar naam roepen. In tegenstelling tot haar zussen is Medusa zich van geen dreiging bewust; ze gaat vijgen, brood en honing halen voor het ontbijt. Stheno en Euryale bespreken wat hun te doen staat, want ze beseffen dat Poseidon, die over de zeeën heerst, zijn zinnen op Medusa heeft gezet. Euryale stelt voor om weg te gaan van de zee. De trotse Stheno denkt Medusa nog te kunnen beschermen, ze heeft immers al zo vele mannen gedood.

Op het strand ziet Medusa haar naam in het zand geschreven staan. Haar zussen vertellen met tegenzin dat Poseidon haar zoekt. Maar Medusa begrijpt het niet: zij hoort vanaf de zee enkel een lied waarin een moeder haar sterrenkind probeert te sussen. Stheno beslist dat Medusa moet vertrekken, of ze dat wil of niet. Ook Euryale hoopt dat Medusa in Athena’s tempel veilig zal zijn. Het wiegelied weerklinkt opnieuw. Medusa meent nu dat het van Athena komt – alsof de godin haar bescherming belooft.

Tweede scène

Medusa verblijft als nieuwelinge in de tempel van Athena. De priesteressen heffen een lofzang aan op de godin. De hogepriesteres verwijt Medusa dat ze met haar hoofd nog bij haar oude leven is, in plaats van zich met hart en ziel aan Athena te wijden. Ze geeft haar de opdracht om die nacht in haar eentje de vlam van de godin te bewaken om zo haar ziel te zuiveren. Wanneer de duisternis valt, voelt Medusa zich eenzaam. Het wiegelied weerklinkt, maar ook die andere roep: “Me-du-sa”.

Plots dooft de vlam. Poseidon is daar. Hij heeft het sterrenkind uit het wiegelied veilig aan land gebracht en eist nu Medusa’s maagdelijkheid als beloning. Medusa verweert zich verwoed, maar de zeegod onderwerpt haar met geweld en verkracht haar. Medusa blijft gebroken achter in de tempel. Bij het zien van het bloed op haar dijen smeekt ze haar zussen om haar te komen halen.

Athena ontdekt dat haar tempel werd onteerd en laat haar toorn op Medusa neerkomen. De hogepriesteres en de andere priesteressen komen op het kabaal af. Medusa geeft aan dat ze werd gedwongen. De godin aanvaardt die uitleg niet: iedereen wist dat Poseidon in aantocht was; in zekere zin heeft Medusa alles dus laten gebeuren. Offers en gebeden baten nu niet meer, Athena is vastbesloten om iedereen te straffen. De hogepriesteres, die als enige de godin mag aanspreken, zal voortaan stom en krankzinnig door het leven gaan. Van de andere priesteressen zullen de ogen wegsmelten. Op Medusa’s huid vormen zich ruwe schubben, haar haren worden evenzoveel kronkelende slangen, haar ogen zullen elke sterveling die ze aankijkt doen verstenen. Athena doet de tempel instorten terwijl de priesteressen wanordelijk door elkaar rennen en Medusa haar metamorfose ondergaat.

TWEEDE BEDRIJF

Het is zeventien jaar geleden dat Medusa door Athena’s vloek transformeerde. Stheno en Euryale hebben Medusa ondergebracht op een desolaat eiland, waar ze gedrieën overleven op wat de zee aanvoert: vijandelijke schepen met hun lading. De grond ligt bezaaid met de versteende lichamen van jonge soldaten die dagelijks aanmeren in de hoop het ‘monster’ Medusa te kunnen afslachten en haar bloed mee naar huis te nemen.

In het gezelschap van Euryale reflecteert Medusa over haar eigen lot en over dat van de versteende jongelingen. Door Poseidons lust en Athena’s straf is zijzelf voor altijd veranderd: in iets subliems, misschien? Ze zal eeuwig dezelfde blijven, zonder oud te worden, zonder liefde of het moederschap te kennen. Voor Euryale is Medusa nu onsterfelijk en onkwetsbaar.

Stheno heeft geen tijd voor zulke overwegingen. Ze heeft, zoals elke dag, het schip tegengehouden dat hun kusten naderde en de bemanning gedood. Het zal een dag duren voor het bloed in de branding is weggespoeld, in afwachting van een nieuwe lading ‘jonge helden’ die uit alle windstreken toestromen. De inhoud van het ruim zal hen drieën in staat stellen om een tijdlang goed te leven. Medusa neuriet voor zichzelf het vertrouwde wiegelied, tot ergernis van Stheno. Een gevoel van zinloosheid overvalt haar: duizenden mannen heeft ze gedood, en toch kan ze Medusa niet redden.

Medusa blijft alleen achter. De woorden van het wiegelied zijn nu hoorbaar: “De maan komt je opzoeken in deze wieg op de golven…” Plots verschijnt een jonge Numidische krijger. Hij is gekomen om Medusa te doden, maar de aanblik van de versteende, aan stukken geslagen lichamen rondom doet hem wankelen. Medusa trekt zijn gezicht naar zich toe. Wanneer hun ogen elkaar ontmoeten, versteent ook hij. Terwijl ze rondom zich een vreemd vertrouwde geur ontwaart, probeert Medusa de sissende slangen om haar hoofd tot kalmte aan te manen: “Gun me rust, verachtelijke slangen; laat me nadenken…” Ze voorvoelt de komst van iets nieuws, dat tegelijk aanvoelt als iets wat ze herkent. Het sterrenkind is in aantocht – en Medusa beseft dat hun lotsbestemmingen verweven zijn.

Ze wacht af. Net als de anderen voor hem wil deze jongeman haar doden. Hij probeert haar ongezien te benaderen, maar Medusa heeft hem gehoord en spreekt hem aan. Aanvankelijk is hij ervan overtuigd dat hij een monster tegenover zich heeft. En hoewel hij geen enkel plezier schept in zijn opdracht, is haar hoofd de prijs voor zijn moeders redding uit een gedwongen huwelijk. Medusa geeft hem te kennen dat ze zijn komst verwachtte… Het brengt hem in verwarring dat ze hem zo goed lijkt te kennen – dat zij het wiegelied van zijn moeder zingt en hem het sterrenkind noemt. Geleidelijk aan wijken zijn ongeloof en afkeer, en ziet hij onder het monsterachtige uiterlijk van schubben en slangen haar menselijkheid. Hij wil zijn opdracht afbreken, maar Medusa houdt hem tegen. Wat zou er dan met zijn moeder gebeuren? Medusa vraagt naar zijn naam: Perseus heet hij. Terwijl in de verte Stheno en Euryale waarschuwen voor de komst van alweer een nieuw schip, bereidt Medusa Perseus voor: hij zal levend hiervandaan vertrekken en zijn moeder redden. Daarvoor moet hij eerst Medusa’s hart doorboren en nadien haar hoofd afhakken. De tijd dringt, want haar zussen zullen minder mild zijn. Medusa wil vergeten worden en de vloek van de eeuwigheid van zich afwerpen. Alvorens ze sterft, zegt ze hem: “Sterrenkind, jij bent mijn genade.”